Nieuws

Nooter (NOS) bijt van zich af na kritiek op aandeel vrouwen in media

Op de opiniepagina van Trouw reageerde Maarten Nooter, hoofdredacteur NOS Sport, vorige week op kritiek van Martine Prange, hoogleraar filosofie in Tilburg. ‘Waar blijven de vrouwen?’, schreef Prange eerder in Trouw, wijzend op het aandeel van vrouwen in het WK-programma Studio Rusland (NOS). ‘Haar verhaal bevat een aantal onjuistheden’, reageerde Nooter.

Aanleiding voor de kritiek van Prange was een antwoord van Maarten Nooter op de vraag van de Volkskant waarom er weinig vrouwen in de WK-talkshow verschijnen. ‘De NOS is een A-merk, geen speeltuinvereniging", antwoordde Nooter daarop. Pas daarna mochten international Jackie Groenen en de oud-internationals Anouk Hoogendijk en Daphne Koster als analist aanschuiven.

‘Het wachten is op een cultuuromslag bij de (traditionele) media, met name bij de NOS. Slechts rond de 5 procent van de sportmedia-aandacht gaat in Nederland naar vrouwensport. Hoewel bijna evenveel vrouwen als mannen sporten, leeft bij de door witte 50+ mannen gedomineerde sportredacties het idee dat vrouwen niet tot het sportpubliek behoren’, betoogde Martina Prange.

De hoogleraar filosofie, zelf oud-voetbalster, concentreerde haar kritiek met name op de NOS. Ze stelde ook dat de ‘internationale pers’ méér (én verstandiger) aandacht geeft aan vrouwenvoetbal dan de NOS.

‘Vrouwelijke commentatoren zijn inderdaad schaars. Bij voetbal, maar eigenlijk bij tal van sporten. En dat geldt voor alle media in dit land die sport verslaan, niet exclusief voor de NOS’, reageerde Nooter. ‘Het aanbod aan vrouwelijke commentatoren is echter mager’, aldus Nooter Hij wees er op dat in diverse functies tientallen vrouwen werkzaam bij NOS Sport, in de hoofdredactie, regie, presentatie, productie en redactie.

Volgens Nooter heeft de NOS bij de Olympische Spelen meer aandacht besteed aan vrouwen dan aan mannen. ‘Simpelweg omdat de vrouwen meer medailles winnen. Want dat is het: wij nemen vrouwen serieus vanwege hun kwaliteiten en prestaties. Niet omdat het vrouwen zijn.’