Zo vaak gaat het in De Rode Hoed niet over de Nederlandse sportjournalistiek. Daarom was het goed idee van Guus van Holland om zijn aangeklede afscheidsborrel in het debatcentrum aan de Keizersgracht in Amsterdam te houden. Slechts een keer moest forumvoorzitter Mart Smeets een vloekende aanwezige tot de orde roepen. ,,Vergeet niet, we zitten hier in een kerk.”
Van Holland is zeer ontevreden over de huidige stand van de sportjournalistiek, liet hij in de inleiding van de door NRC Handelsblad georganiseerde avond weten. “De sportjournalist noteert wat hij hoort, en schrijft dat op. Wij waren dominant, wij hebben onverdiend verloren.”
De huidige sportjournalist hoeft niet meer deskundig te zijn, zei Van Holland. Voor reljournalistiek hoef je echter niets van sport te weten. Voor een groot aantal sporten is alleen interesse in de media als er over doping of omkoping wordt gesproken. Daarbij eisen hoofdredacteuren volgens Van Holland niet meer dat sportjournalisten over specifieke kennis beschikken.
Van Holland, die sinds 1988 bij NRC Handelsblad werkte, ging terug naar vroeger. Toen werd de sportjournalist geacht een sportschrijver te zijn. Die journalist schreef beeldend, want hij zag sport als kunst. De sportjournalist moet volgens Van Holland een recensent zijn, met deskundigheid en inzicht. Als voorbeeld noemde hij de verhalen uit de The Best American Sports Writing of the Century en bekende namen als David Remnick, Hunter S. Thompson, John Feinstein en Norman Mailer. “Sport gaat dieper dan de huidige sportjournalist wil doen geloven”. Aldus Van Holland.
Het forum met jongere generatiegenoten van Van Holland had daar wel wat op af te dingen. Volgens Bert Wagendorp (De Volkskrant) was het vroeger juist slechter. Hij had er de leggers van zijn krant nog een op nageslagen en kwam tot de conclusie dat het gemiddelde niveau in de jaren zestig, zeventig veel lager lag. “De sportjournalisten zijn juist beter geworden.’’
Jeroen Wielaert (NOS) meende dat Van Holland de sportjournalistiek ten onrechte verantwoordelijk stelde voor de algemene trend naar oppervlakkigheid en vond dat hij een veel te rooskleurig beeld van de sporter als kunstenaar had geschetst. Jaap de Groot (De Telegraaf) benadrukte dat de eisen die aan sportjournalisten worden gesteld tegenwoordig hoger zijn dan vroeger. Het gaat niet alleen meer om die 22 voetballers op het veld, maar om allerlei aspecten die de sportprestatie direct beïnvloeden. Hij vindt de voetbaljournalistiek van nu beter dan die van enige tientallen jaren geleden.
Peter Vermeersch, hoofdredacteur van NRC Handelsblad, was evenmin ingenomen met het standpunt van Van Holland. In de kantlijn had hij op verschillende punten (ouwe lul) geschreven. Ook bestreed Vermeersch dat in de algemene journalistiek met dedain naar de jongens van de sport wordt gekeken, zoals wel wordt beweerd. Dat is volgens Vermeersch iets van 20 of 25 jaar geleden. Daarbij is het onwaarschijnlijk dat er sportjournalisten wordt neergekeken. Bij de populaire kranten, De Telegraaf en het Algemeen Dagblad, telt de redactie meer sportjournalisten dan welke ander rubriek.
Enige dagen na de bijeenkomst constateerde Auke Kok in NRC Handelsblad dat de sportjournalistiek in de 37 jaar dat Van Holland er werkzaam was juist een “formidabele emancipatie” heeft doorgemaakt. “Toen Van Holland zijn carrière begon, halverwege de jaren zeventig, had de ontwikkelde Nederlander die van sport hield iets uit te leggen. Tegenwoordig is het bijna andersom. Vooral voetbal is zodanig uitgegroeid tot een nationale hobby dat degene die er niets van af weet, of wil weten, zich moet verantwoorden.”