EVENEMENT I: WK Turnen; Collega’s attentie!
- 01 september 2010
Een van de grootste evenementen van het sportjaar komt er aan. Het zijn de WK turnen in Rotterdam. De titelstrijd in het verbouwde Ahoy, van 15 tot en met 24 oktober, brengt meer dan duizend turners en turnsters op de been en is de eerste stap in een langdurig olympisch kwalificatietraject.
De gang van zaken bij de pers is in handen van de meertalige Zwitser Philippe Silacci. Hij is de persman van de wereldgymnastiekbond, de FIG. Op de website van de FIG dient een journalist zijn accreditatie aan te vragen. Anders is het in oktober jammer maar helaas.
Voor de Nederlandse gang van zaken is officieel Pieter Matthijsse verantwoordelijk. Hij deed al de EK-toernooien van 2004 en 2007 in Amsterdam en is een uiterst plezierig mens om mee samen te werken.
Dan hebben we in dit verband uiteraard het belang van de Nederlandse turnploeg. Die zal bestaan uit zes mannen en zes vrouwen, plus twee reserves. Met name de kansrijke mannen trekken de publicitaire aandacht. Dagmar van Stiphout, de nieuwe communicatieman van de KNGU (gymnastiekunie), heeft met Marina Witte van de NSP en seniorverslaggever John Volkers (de Volkskrant) afspraken gemaakt voor een perstraject waarbij we de sporters op goed gekozen momenten kunnen interviewen.
De eerste bijeenkomst was afgelopen maandag in Den Bosch, bij de CTO van FlikFlak, een turnfabriek van ongekende allure. Technisch directeur Hans Gootjes zat daar de persconferentie voor, waarin Yuri van Gelder vertelde van de spanning bij zijn comeback na een dopingschorsing.
Een grote rol bij de turnverslaggeving is immer weggelegd voor good old Hans van Zetten. De NOS-verslaggever is een vraagbaak pur sang en bereid elke nieuwkomer een duwtje in de goede richting te geven. Verder bestaat het perspelotonnetje van vaste waarden uit Peter van Leeuwen (ANP), Herman Wissink (Gelderlander), Henk Stouwdam (NRC), Edwin Fischer (GPD), Edwin Cornelissen (NOS radio), Vlado Veljanoski (NOS tv) en Philip Detmar (Telegraaf). Er komen drukke weken aan.
VERVOLG:
MEDIAVOORZIENINGEN
Met meer dan 600 deelnemers uit 73 landen gaat het WK turnen in Rotterdam het grootste WK worden in de geschiedenis van de turnsport. Tijdens het evenement worden zo’n 300 journalisten verwacht uit 30 landen. Voor hen zal er een perscentrum worden ingericht in de Conference Room van Ahoy.
Het perscentrum krijgt 220 werkplekken voor de schrijvende en fotograferende pers, interviewcorners, een infodesk en een koffiecorner. Verder is er een speciale hulpdesk van Canon (Canon Camera Service). Hier kunnen journalisten terecht die vragen over of problemen met hun apparatuur hebben.
Zowel in het perscentrum als op de perstribune is wireless internet. De internetvoorzieningen zijn voor de media gratis beschikbaar.
In het gerenoveerde Sportpaleis zal er voor de schrijvende pers een perstribune met 177 plaatsen geplaatst worden aan de kopse kant van de wedstrijdhal. Boven in de tweede ring van Ahoy zullen nog eens 50 werkplekken worden gecreëerd. Tot slot zijn er 42 ‘seats only’ onder in de tweede ring. De commentaarposities voor radio en tv krijgen een plek op de omloop van Ahoy tussen de eerste en tweede ring langs de lange zijde.
Fotografen hebben tijdens het WK de mogelijkheid om zich rond de hele wedstrijdvloer vrij te bewegen (uiteraard niet tussen de toestellen). Bij ieder toestel worden enkele verhogingen geplaatst te gebruiken voor wie wil.
In overleg met de FIG is de organisatie een nieuw concept aan het uitwerken voor de mixed-zone. Een meer vriendelijkere opzet die journalisten de mogelijkheid biedt om in een prettige ruimte met de sporters te praten. Zelfs is er de mogelijkheid om in de mixed-zone gebruik te maken voor enkele interviewcorners. Door meer ruimte, tijd en faciliteiten in de mixed-zone te creëren voldoet de organisatie aan de wens van de media om de mogelijkheid te hebben met iedere sporter te kunnen praten na afloop van de wedstrijden. De persconferenties met de medaillewinnaars zullen dan ook niet meer plaats vinden tijdens dit WK.
Journalisten die een accreditatie willen aanvragen voor het WK turnen kunnen die doen via de media-site van de FIG tot 3 oktober: http://www.fedintgym.com/mediamanager/
Het NH Hotel in Capelle a/d IJssel zal dienst doen als officieel Media Hotel.
Meer informatie over het WK turnen is te vinden via www.WKturnen2010.nl
(Pieter Matthijsse, perschef/organisatiecomité WK Turnen)
EVENEMENT II: De gouden bergen van Papendal
- 01 september 2010Het staat allemaal in een prachtig, gebonden boek: wil Nederland bij de tien beste sportlanden behoren dan moet er veel geld in de topsport geïnvesteerd worden. Te beginnen met 100 miljoen euro in 2011, met een verdubbeling tot 200 miljoen euro in 2020. Die bedragen zijn gebaseerd op een studie van sportkoepel NOC*NSF naar de tools om in de toptien van sportlanden te komen. En als dat geld er komt voorspelt de sportkoepel in 2020 zo’n 82 medailles bij de Olympische Spelen. Dat is nogal wat afgezet tegen de zestien plakken die twee jaar geleden uit Peking werd opgehaald.
Het moet gezegd, de presentatie van de cijfers op het nationaal sportcentrum Papendal verliep gladjes. In een zwoele setting met veel wit brachten technisch directeur Maurits Hendriks en diens rechterhand Jeroen Bijl de uitkomsten van hun studie kenbaar voor een gehoor van (oud-)sporters, trainers, sportbestuurders en journalisten. Dat was aan Hendriks wel toevertrouwd, want de voormalige hockeybondscoach weet hoe je een ‘product’ moet verkopen.
Met veel elan onderbouwde hij de ambities van de sportbonden. Want dat was eigenlijk de uitkomst van de studie: een samenvatting van de wensen die de sportbonden met hun topsportprogramma’s hebben uitgesproken en die door NOC*NSF keurig op een rijtje zijn gezet. En dan blijkt dat de Nederlandse topsporters woest ambitieus zijn. Ze willen allemaal een fulltime programma met de beste trainers, de ideale faciliteiten en de maximale randvoorwaarden.
Er is echter één probleem: het geld is er (nog) niet. Er wordt momenteel zo’n 50 miljoen euro aan topsport besteed. Die uitgaven moeten verviervoudigd worden om het ideale topsportklimaat te creëren. Wie zal dat betalen? Maurits Hendriks gaf een voorzet: de bonden, NOC*NSF, sponsors maar ook de rijksoverheid – “ik kan me niet voorstellen dat we ons doel bereiken zonder een substantiële bijdrage van de overheid.”
Hoe er ook over de ambities wordt geacht – goed plan of luchtfietserij – zeker is dat de eisen waaraan een land voor een toptienpositie moet voldoen zijn nu gerangschikt. In een indrukwekkende verzameling cijfers wordt aangegeven met hoeveel sporters, boten, paarden of fietsen en met hoeveel geld de medailles bij de Olympische Spelen behaald kunnen worden. En dat alleen is al winst, vindt Maurits Hendriks, die bij zijn aantreden werd opgezadeld met de toptienopdracht zonder referentiekaders. ,,Niemand die mij precies kon vertellen wat er nodig was om die doelstelling te bereiken. Wat ik aantrof was een diversiteit aan topsportprogramma en veel zwevende ambities.”
De technisch directeur nam toen zelf maar het initiatief tot de studie, die hij met een groep naaste medewerkers uitvoerde en waar zo’n jaar aan is gewerkt. Bovendien ging Maurits Hendriks te rade bij een panel van twaalf deskundigen, onder wie oud-sporters als Johan Cruijff, Pieter van den Hoogenband, Richard Krajicek, Cees Vervoorn, Heleen Crielaard en Jan Loorbach, maar ook bij de sportonderzoekers Maarten van Bottenburg en Hans Westerbeek en Paul Schnabel, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau.
Naast aanbevelingen als verandering van het stipendium, de vergoedingsregeling voor topsporters, verbetering van medische begeleiding en een verplicht programma voor talentontwikkeling, leverde het rapport interessante cijfers op. Om in de toptien van sportlanden te eindigen moeten bij de Zomerspelen tussen de 30 en 35 medailles worden gewonnen, waarvan tussen de acht en twaalf van goud. Bij de Winterspelen praten we dan over twaalf tot vijftien medailles, waarvan minimaal zes gouden.
Hendriks c.s. ontdekten ook dat 96 procent van de medailles voor Nederland gewonnen worden in acht sporten: zwemmen, roeien, zeilen, hockey, wielrennen, paardensport, judo en schaatsen. En opmerkelijk genoeg krijgen die sporten bij elkaar maar 25 procent van de topsportgelden. Met andere woorden: de meerderheid van Nederlandse topsporters presteert onder de toptiennorm. Met die kennis is het verleidelijk het toekomstige geld vooral in die succesvolle sporten te investeren. En dat is tevens de angst van de niet-succesvolle sporten.
Maar Maurits Hendriks maakte duidelijk, dat die vrees ongegrond is. Hoewel hij van mening is dat bonden scherper op de prestaties van hun topsporten moeten worden afgerekend, bepleit de technisch directeur een open model waarin steun mogelijk is voor alle sporten met wereldtoppers. En hij steunde eveneens de teamsporten, die minder medailles inbrengen dan veel individuele sporten. Zo lang Maurits Hendriks technisch directeur is zal hij programma’s van succesvolle teamsporten ondersteunen.
Was de studie journalistiek interessant? Wel degelijk, al was het maar dat ook wij verslaggevers nu een toetssteen hebben om de prestaties te boordelen. Wij moeten er wel voor waken in de euforie van NOC*NSF mee te gaan. Een afstandelijk interpretatie van de cijfers en een kritische beoordeling van de resultaten blijft vanzelfsprekend onze hoofdtaak.