Nieuws 04 november 2026 · 12 min leestijd

Oprichting van de Nederlandsche Sportpers anno 1933

Enkele jaren geleden ontvingen we van de toenmalig perschef van PEC Zwolle, Koen te Riele (nu bij Centrum Veilige Sport Nederland), het Jaarboek 1937 van de Nederlandsche Sportpers, de rechtsvoorganger van de NSP. Mediahistoricus Marnix Koolhaas dook in de wordingsgeschiedenis van de sportjournalistiek in Nederland en deelt langs deze weg zijn bevindingen.
Oprichting van de Nederlandsche Sportpers anno 1933

De Nederlandsche Sportpers, nog met een ouderwetse “sch”, werd op 11 maart 1933 opgericht. Dat gebeurde in het chique Carltonhotel in de Amsterdamse Vijzelstraat. Het hotel was in 1928 speciaal gebouwd ter gelegenheid van de Olympische Zomerspelen in de hoofdstad. De Amerikaanse ploeg, inclusief de vijfvoudige gouden zwemmer Johnny Weissmuller, was er destijds gehuisvest.

Er kwamen op die zaterdag zo’n twintigtal sportjournalisten bijeen uit heel het land. De op te richten vereniging zou zich “de bevordering der Nederlandsche sportjournalistiek in binnen- en buitenland” ten doel stellen, zo lezen we in diverse kranten die verslag deden van de bijeenkomst.

Dat het destijds tot een nationale vereniging kwam, lag tamelijk voor de hand. Al in 1920 was aan de vooravond van de Zomerspelen in Parijs de AIPS opgericht, de “Association Internationale de la Presse Sportive.” In eigen land bestonden reeds “De Haagsche Sportpers” (in 1930 opgericht) en “De Amsterdamsche Sportpers” (een jaar eerder opgericht). Met het grote enthousiasme voor sport, dat met name de Zomerspelen in Amsterdam had aangewakkerd, maakte de stap meer dan logisch.

Als voorzitter van de oprichtingsvergadering fungeerde Gerrit Jan Nijland, toen nog uitsluitend met zijn initialen aangeduid. Nijland werd algemeen beschouwd als de nestor van de Nederlandse sportjournalistiek. Al in 1909 was hij door het toenmalige Algemeen Handelsblad aangesteld als exclusieve sportverslaggever. In 1927 was hij medeauteur van het Nationaal Sport Gedenkboek.

Nijland had zijn voorwerk goed gedaan. Op zijn voorstel werd Jhr. Jan Feith als enige kandidaat met algemene stemmen tot eerste voorzitter verkozen. Als medebestuursleden werden gekozen H. Levy uit Den Haag en A. J. G. Strengholt, Amsterdam. Ook die keuze lag voor de hand, want zij beiden waren actief in de sportpers-verenigingen die in hun steden al bestonden, en die mede hadden aangedrongen op de vorming van een landelijke organisatie. Strengholt was begonnen als sportjournalist maar had zich in 1937 al ontwikkeld tot wat je nu een mediatycoon zou noemen. Al in 1907 werd hij uitgever/hoofdredacteur (die combinatie kon toen nog!) van het decennialang toonaangevende sportblad “De Revue der Sporten”. In 1928 richtte hij de nu nog steeds zelfstandige “Strengholt Holding” op, aanvankelijk een uitgeverij die zich steeds meer op de radio- en muziekwereld ging toeleggen. In 1934, bij de eerste algemene ledenvergadering van de NSP (deze keer in hotel De Wittebrug in Den Haag), werd Strengholt verkozen als nieuwe voorzitter. Jan Feith werd uitgebreid gedecoreerd en benoemd als eerste erelid van de club.

Atletiek. A.J.G. Strengholt, voorzitter van de ‘Amsterdamschen Athletiek Bond’, overhandigt de beker aan de winnaar van de estafette.
Atletiek. A.J.G. Strengholt, voorzitter van de ‘Amsterdamschen Athletiek Bond’, overhandigt de beker aan de winnaar van de estafette.

Met Jan Feith had de NSP zeker de meest kleurrijke sportverslaggever (en nog veel meer) gekozen die denkbaar was. Daniël Rewijk, eerder al de biograaf van sportpionier Pim Mulier, beschreef dit jaar al zijn uiterst boeiende en veelzijdige leven in de biografie “Jan Feith (1874-1944), influencer in het interbellum.” Als sportjournalist maakte Feith zich al in 1909 onsterfelijk door als participerend journalist vrijwel de gehele eerste Elfstedentocht met de koplopers mee te rijden. Onderweg voerde hij tal van gesprekken met de wedstrijdrijders, waarvan hij een dag later in een paginabreed verhaal in het Algemeen Handelsblad een nog altijd uniek verslag gaf.

Jan Feith uit Hilversum passeert als vijfde de finish bij de houtzaagmolen in Nieuwendam van de 20-plaatsenschaatstocht door Noord-Holland boven het IJ.
Jan Feith uit Hilversum passeert als vijfde de finish bij de houtzaagmolen in Nieuwendam van de 20-plaatsenschaatstocht door Noord-Holland boven het IJ.

Behalve drie bestuursleden (in 1936 al uitgebreid tot zes), werden er bij de oprichtingsvergadering ook gewestelijke adviseurs benoemd. Daar kwamen nog vier commissarissen bij en zelfs een rechtskundig adviseur. Eén van die commissarissen was de bekende sportjournalist en oud-voetballer van o.a. Ajax en PSV, de Amsterdammer Kick Geudeker. Hij was redacteur van de aan de SDAP (de vooroorlogse voorloper van de PvdA) gelieerde kranten “Voorwaarts” en “Het Volk”, en zou al snel de leiding over de sportredacties op zich nemen. Na een bezoek aan nazi-Duitsland in 1933, deed Geudeker het voorstel om geen journalisten naar de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn te sturen. Het voorstel kreeg nauwelijks steun. Sport en politiek moesten gescheiden blijven, zo werd ook toen al geredeneerd. Uiteindelijk zouden er zo’n 25 Nederlandse sportjournalisten naar Berlijn gaan, “waarvan 15 houders van een hoofdkaart,” zo meldt het inmiddels met het fusieblad “Sport in Beeld/ Revue der Sporten” op 4 juli 1936. De bekendste was ongetwijfeld radioverslaggever Han Hollander, die ondanks zijn Joodse afkomst geen enkel gevaar zag om naar nazi-Duitsland te gaan. Dankzij een door Hitler persoonlijk ondertekende oorkonde die Hollander als dank kreeg voor zijn radioverslagen, dacht de naïeve Hollander ook tijdens de bezetting geen gevaar lopen. Hoe het met hem afliep is algemeen bekend. Hollander zou uiteindelijk via Westerbork in 1943 in Sobibor vermoord worden.

Vreemd genoeg ontbreekt elke informatie over de dilemma’s van het wel of niet gaan naar de Spelen van 1936 in het eerste (en voorzover bekend enige) Jaarboek dat de NSP in 1937 liet verschijnen. De naam van de nazi-Duitse hoofdstad worden zelfs in het geheel niet genoemd, zelfs niet in het hoofdstuk “De verhouding tussen sport en radio”. Dat Han Hollander destijds al jarenlang furore maakte met zijn roemrijke live-verslagen van met name de jaarlijkse Holland-België interlands (waar miljoenen Nederlanders naar luisterden!), wordt evenmin vermeld.

Wat komen we dan wel te weten in dit 104-pagina’s dikke, en voorzover bekend maar eenmalig verschenen NSP-jaarboek? In zijn voorwoord schrijft voorzitter Strengholt:

“Waarom dit Jaarboek der sportpers? Onze sportjournalisten zijn waarschijnlijk niet de minst gelezen redacteuren van de meeste Nederlandse persorganen: de vervaarlijke omvang van hun rubrieken wedijvert met het fantastische aantal der in sport belangstellende abonné’s! Maar wát weten deze lezerslegioenen eigenlijk van de verzorgers der duizenden sportkolommen, van de sportschrijvers zelf en van hun organisatie? Weinig. En dáárom mede dit boek.”

Het boekwerkje doorbladerend blijkt het inderdaad meer een overzicht te geven van de diverse takken van sport en hun organisaties, aangevuld met een soort “wie is wie” in het land der vaderlandse sportpers. Ook een overzicht van de door Nederland behaalde Olympische medailles ontbreken niet. Vrij willekeurig worden verder van alleen de atletiek- en schaatsdisciplines de Nederlandse records vermeld. Ook is er een apart verhaal opgenomen over “dames-hockey” (een verhaal over herenhockey ontbreekt!) van de hand van de voorzitster van de toenmalige aparte Nederlandsche Dames Hockey Bond, mevrouw E. de Josselin de Jongh.

Sluitstuk is een overzicht der toenmalige leden: het meest informatieve gedeelte van het Jaarboek. In 1937 blijkt de NSP in totaal 88 leden te hebben. De bekendste staan er met foto en huisadres in vermeld. Plus een korte biografische schets. Toch ontbreekt er behalve Han Hollander nóg een coryfee die al vóór de oorlog naam had gemaakt: de immer met zijn titel “ingenieur” aangekondigde Ad van Emmenes. Al in 1924 werd hij redacteur van het KNVB-bondsorgaan De Sportkroniek. Ook hield hij al regelmatig sportpraatjes voor de VARA, bezocht in 1934 het WK-voetbal waar Nederland debuteerde, en mocht een enkele keer Hollander vervangen als radioverslaggever. Maar lid van de NSP werd hij voorzover bekend nooit.

Enkele voorname sportjournalisten die destijds wel lid waren van de NSP:

J.A.A. van den Bergh (“zich noemende Joris”). De beroemd geworden auteur van het nog steeds gelezen Te midden der kampioenen uit 1929 (zijn andere bestseller Mysterieuze krachten in de sport schreef hij pas in 1941), wordt in het Jaarboek op quasi-grappige wijze als volgt beschreven:

“Ter rechtvaardiging van sportbemoeiïngen, en ter eere van zijn collega’s schreef hij een boek. Hij meent het bewijs te hebben geleverd dat men normaal en tevens sportjournalist kan zijn. Overigens bekleedde hij nog een nette betrekking in de maatschappij: commies bij een der Departementen, en secretaris van het Scheidsgerecht voor Spoorwegpersoneel. Maar dat is lang geleden; toen was hij nog jong en schoon.”

Sportjournalist Joris van den Bergh 70 jaar (1952).
Sportjournalist Joris van den Bergh 70 jaar (1952).

Ook oud-wereldkampioen schaken (1935) dr. Max Euwe was lid. Voor liefst zes bladen was hij destijds schaakmedewerker, een functie die toen blijkbaar ook als een volwaardige vorm van sportjournalistiek werd beschouwd.

Jhr. Jan Feith, de allereerste voorzitter, kan natuurlijk ook niet ontbreken. In tegenstelling tot Joris van den Bergh, van wie geen enkele boektitel wordt genoemd, worden van Feith meer dan twintig boektitels genoemd, waaronder het bekende naslagwerk “Boek der Sporten” uit 1900.

Jhr. Jan Feith als Mr. Bell in de door hem geschreven revue ‘Om ’t 100.000ste’, Nederland, voor 1933.
Jhr. Jan Feith als Mr. Bell in de door hem geschreven revue ‘Om ’t 100.000ste’, Nederland, voor 1933.

C.J. (“Chris”) Groothoff was eveneens een vooroorlogse coryfee onder de sportschrijvers. Hij was de grote man van het al in 1892 opgerichte “Het Sportblad” (later ook bekend als “het groentje”), dat na een lange concurrentiestrijd in 1927 fuseerde met “De Revue der Sporten”. Vanaf 1904 werd hij verantwoordelijk voor de sportberichtgeving van het destijds al zeer sportgerichte, toen nog progressief liberale dagblad De Telegraaf. In 1916 stapte hij over naar de NRC en was in 1937 nog steeds verantwoordelijk voor de sportberichtgeving van het Rotterdamse dagblad. Het aantal internationale sportevenementen dat hij bezocht en versloeg beslaat bijna een gehele pagina: van de Zomerspelen in 1908 in Londen tot de roemruchte Spelen van ’36 in Berlijn. In 1934 werd hij daarnaast hoofdredacteur van “De Scheidsrechter”, het officiële orgaan van “den Nederlandschen Bond van Voetbalscheidsrechters.”

Jan Hoven, een prominent voetbal- en schaatsverslaggever uit Amsterdam, verwierf landelijke bekendheid door zijn kritiek op de KNVB, die in 1937 de Rotterdamse Kuip tot exclusief stadion voor Oranje-interlands had bestempeld. Een beslissing die na de oorlog werd teruggedraaid. Behalve over voetbal en schaatsen onderscheidde Hoven zich ook als kenner van de biljart- en kegelsport.

Jan Liber werd al op 16-jarige leeftijd sportmedewerker van het “Dagblad van Rotterdam” en zou zijn sportief-journalistieke bezigheden zo’n vijftig jaar volhouden. In 1928 werd hij collega-sportredacteur van Kick Geudeker bij “Voorwaarts” en “Het Volk”, de twee kranten van de Arbeiderspers. Vanaf de oprichting was hij ook betrokken bij de “Rotterdamsche Sportpers”. Na de oorlog (dus niet vermeld in het Jaarboek uit 1937), zou zijn biografie van voetballer Faas Wilkes alom geprezen worden. Zelfs was hij in de jaren zestig nog enige tijd interim-hoofdredacteur van Voetbal International.

Hans Meerum Terwogt combineerde twee functies in de sprot die nu niet meer mogelijk zouden zijn: zo was hij zowel voetbalscheidsrechter, die zelfs negen internationale wedstrijden floot, als sportredacteur (inclusief voetbal!) bij de NRC. Na de oorlog zou hij een lintje krijgen voor zijn sportbemoeienissen.

Gerrit Jan Nijland begon zijn sportjournalistieke loopbaan in 1903 bij “De Nederlandsche Sport”, het oudste Nederlandse sportblad dat al in 1882 was opgericht. Zwemmen was zijn specialiteit. Ook schreef hij voor “De Kampioen” van de ANWB.

Jan Feith als voorzitter van de Nederlandse Lawn Tennis Bond (NLTB) in 1918.
Jan Feith als voorzitter van de Nederlandse Lawn Tennis Bond (NLTB) in 1918.

A.J.G. (Aaldrik Jan George) Strengholt was, zoals al eerder genoemd, de opvolger van Jan Feith als voorzitter van de NSP. Ook was hij het eerste Nederlandse bestuurslid van de AIPS, destijds nog Franstalig afgekort als “Association Internationale de la Presse Sportive” (nu officieel de “International Sports Press Association” genoemd). “Schreef vroeger vrij veel: tegenwoordig voornamelijk handtekeningen,” zo wordt zijn portret in het Jaarboek besloten.

Leon de Wolff was wellicht minder bekend, maar baanbrekend in zijn sportjournalistieke werk. In 1926 trad hij in dienst bij het persbureau “Vaz Dias”, waar hij de leiding over de sportberichtgeving op zich nam. “Vaz Dias” werkte voor alle media die abonnee waren. In 1934 besloten de gezamenlijke Nederlandse krantenuitgevers om een eigen, onafhankelijk nationaal persbureau op te richten: het Algemeen Nederlands Persbureau. In 1935 droeg Vaz Dias zijn werkzaamheden over aan het A.N.P., waaronder destijds ook het belangrijke radionieuws viel. Oprichter Mozes Salomon Vaz Dias werd één van de directeuren van het ANP, en introduceerde ook een fotodienst. Leon de Wolff volgde zijn baas en werd zo de eerste sportredacteur van het ANP. Van de hand van mediahistoricus Piet Hagen verschijnt binnenkort een biografie onder de titel “Persbaron M.S. Vaz Dias, kroniek van een Joods familiebedrijf.”

De dove Nederlandse journaliste Kate de Ridder met haar conversatieleitje. Plaats en datum onbekend.
De dove Nederlandse journaliste Kate de Ridder met haar conversatieleitje. Plaats en datum onbekend.

PS

Sporthistoricus Jurryt van de Vooren maakte me attent op de -voorzover bekend- enige vooroorlogse vrouwelijke sportjournalist. Het was Kate de Ridder, die al in 1924 voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant en Het Vaderland aanwezig was bij de Olympische Zomerspelen in Parijs. Haar naam stond niet onder haar bijdrages, maar wel de aanhef “van een medewerkster”. Na enig speurwerk bleek het om Kate de Ridder te gaan. Ze kwam in 1921 in dienst bij Het Vaderland. Aanvankelijk schreef ze over mode, maar al snel ook over paardensport, tennis en de Nijmeegse Vierdaagse. Dat De Ridder doof was, en alles via een leitje moest vragen en noteren, maakte haar werk nog unieker. In 1960 kreeg ze tijdens het Nationaal Concours Hippique in Bennekom ter gelegenheid van haar 70e verjaardag een eerbetoon van o.a. prins Bernhard en zijn drie dochters. Of Kate ooit lid is geweest van de NSP, is onbekend.

Marnix Koolhaas
Marnix Koolhaas
Mediahistoricus

De redactie van de NSP bericht over alles wat de Nederlandse sportjournalistiek bezighoudt: van ledenberichten en accreditaties tot achtergronden en columns.

Ook interessant

Lang leve Teletekst
nieuws | column 04 nov 2026

Lang leve Teletekst

NSP · 3 min
Vanzelfsprekend
nieuws | schot voor de boeg 03 nov 2026

Vanzelfsprekend

NSP · 3 min
Van Hoogkamers hond naar Hollywood aan de Rijn
nieuws | spotlight 02 nov 2026

Van Hoogkamers hond naar Hollywood aan de Rijn

NSP · 7 min