Behalve oud-collega’s als Herman Poos, Hans van Tilburg, Leny Kolenbrander, NSP-fotoambassadeur Louis van de Vuurst en veel andere belangstellenden kwamen ook enkele media langs om de bijzondere expositie te beschrijven en te spreken met maker en Zilveren Camera-winnaar Vogelzang.
Poos op Facebook: “Achter elk plaatje zit een prachtig verhaal. Groot respect voor wat hij heeft gepresteerd met zijn brutaliteit en flair, maar vooral door zijn vakmanschap. (..) Heb ook peentjes gezweet als ik met hem in de auto zat en hij niet schuwde in de bocht van een berg nog een auto in te halen. ...”
Onder meer HELDEN en het Noordhollands Dagblad gingen in gesprek met Vogelzang en werden door hem overladen met anekdotes uit diens rijke loopbaan, uiteraard vooral in relatie tot ‘El Salvador’.
Zo beschrijft Roland Pijnen namens HELDEN dat hij binnenkomst in het strandpaviljoen De Jongens recht in de ogen keek van een levensgroot, staand zwart-witportret van Johan Cruijff als trainer. “Leo Vogelzang staat ernaast als zijn oude vriend Kees binnenstapt, het haar zeiknat van de storm die deze doordeweekse dag over Nederland raast. ‘Gisteren kwam er iemand binnenlopen die zei: ‘Hé, dat is Willem Holleeder!’’, zegt Vogelzang lachend. ‘Ik moest wel twee keer goed kijken, want hij lijkt er natuurlijk wel op. Die neus!’.”
Lopend langs de foto’s aan de wand vertelt Vogelzang aan Pijnen dat Cruijff vier passies had: voetbal, kaarten, roken en golfen. “Hij gaf iedereen aanwijzingen, zelfs Maarten Lafeber tijdens het KLM Open. Maarten had het toernooi nota bene al gewonnen, maar ook hem legde Johan uit hoe je moest golfen. Ik heb er een foto van gemaakt en naar Maarten opgestuurd. Maandag komt hij hem ophalen. Geweldig!”
Vogelzang ontkracht ook de mythe dat Cruijff stopte met roken na zijn hartoperatie en zich overgaf aan lolly’s van het merk Chupa Chups. In een van de foto’s weerspiegelt de beeltenis van de fotograaf in de zonnebril van Cruijff. Hij heeft de data opgezocht. “Iedereen denkt dat hij pas ná die operatie aan de lolly’s ging omdat hij moest stoppen met roken”, zegt hij in HELDEN. “Maar dat klopt niet: op oudere foto’s zit hij al met een lolly. Ik heb beelden waar hij kaart met Dick van Gangelen, en zij zitten ook aan de lolly’s. Hij werd later gesponsord door Chupa Chups, de Spaanse lollyfabrikant.”
In dat gesprek verhaalt hij ook over de tijd dat journalisten en fotografen gewoon met de voetbalteams meereisden naar Europese uitduels. Daar maakte hij veel beelden, zoals het viertal Pim van Dordt, Marco van Basten, Johan Cruijff en Jan Wouters dat zit te klaverjassen tijdens de vlucht. “Vroeger hadden ze geen telefoons, dus speelden ze gewoon een potje kaarten. Als fotograaf had ik natuurlijk ook veel persoonlijk contact met Cruijff. Je moet toch een beetje vertrouwen winnen, zodat ze ook iets voor je willen doen. Zo heb ik Van Basten ooit tijdens een potje golf in een vijver gefotografeerd. Nou, wie heeft er nu zo’n wereldspeler in een vijver zien liggen?”
Kees de Boer verhaalt in het Noordhollands Dagblad over de persoonlijke affiniteit van Vogelzang met Cruijff en Ajax. “Ik ben met die club en met Johan opgegroeid”, laat hij optekenen. “Als 13-jarig jongetje ging ik al naar de wedstrijden van Ajax in het oude stadion De Meer. Dan liftte ik van mijn woonplaats Velsen-Noord naar Amsterdam. Eenmaal daar kocht ik altijd drie jongenskaartjes van twee en een halve gulden. Dan hield ik er één voor mezelf en verkocht de andere twee voor vier en een halve gulden.” Lacht: “Dan had ik een mooie winst waar ik weer wat van kon kopen in het stadion.”
“Op de terugweg mocht ik meerijden met dokter Rolink, de toenmalige clubarts van Ajax, die bij mij in Velsen-Noord om de hoek woonde. Of met Ajax-keeper Heinz Stuy, die in IJmuiden woonde. Die zette me bij de pont in Velsen af en dan was ik zo thuis.”
Wat ook heel anders was destijds, was het fotograferen zelf, zegt hij. “Tegenwoordig, in het digitale tijdperk, maakt een fotograaf zo’n acht- tot negenduizend foto’s per wedstrijd. Hoe anders was dat in mijn tijd, toen er analoog beelden werden geschoten. Ik had altijd vijf films bij me, waarmee ik in totaal 180 foto’s kon maken. Daar moest ik dus zuinig mee omgaan.”