SCHOT VOOR DE BOEG

Van 4 naar 50 procent vrouwen in een eeuw, waar blijven de media?

De termen woke, inclusie en gendergelijkheid werken voor sommigen als een lap op een rode stier en een deel van de NSP-volgers zal nu meteen stoppen met lezen van dit Schot voor de Boeg.

Voor de anderen ga ik graag verder met mijn betoog over gendergelijkheid, en wel tijdens de aankomende Olympische Spelen in Parijs. Het streven van het organisatiecomité is om in de Franse hoofdstad voor het eerst in de geschiedenis van de Spelen te komen tot een volledig evenwicht tussen deelnemers van beide geslachten. En dat gaat lukken, benadrukte Marie Depecker vorige week op het AIPS-congres in het Spaanse Santa Susanna.

Depecker, directeur van Broadcast and Press Operations van de Spelen, schetste dat honderd jaar geleden slechts 4 procent van de deelnemers in de Parijse Spelen van 1924 vrouw was. Zij mochten slechts aan enkele disciplines deelnemen (o.a. zwemmen en tennis), veel bonden en sporten sloten deelname van vrouwen uit. Circa 96 procent van de 3000 deelnemers was destijds man. Het dichten van de kloof heeft dus een eeuw geduurd. De strijders voor vrouwengelijkheid, emancipatie, de Rooie Vrouwen en de Dolle Mina’s mogen zichzelf daarvoor wel een schouderklopje geven, en anders doe ik dat graag namens hen vanaf dit podium.

Want Nederland leunt qua medailles zwaar op de vrouwen en dat succes wordt – helaas – voor het merendeel door overigens zeer bevlogen, deskundige en toegewijde mannelijke collega’s beschreven.

Echter, de meervoudige gouddelvers op de Spelen (zomer én winter) zijn voornamelijk vrouw: Ireen Wüst, Fanny Blankers-Koen, Leontien van Moorsel, Inge de Bruijn, Anky van Grunsven, Irene Schouten, Ranomi Kromowidjojo,  Rie Mastenbroek, Eva de Goede, Lidewij Welten, Suzanne Schulting,  Jorien ter Mors, Yvonne van Gennip,  Marianne Timmer. Dit rijtje van 14 vrouwen met driemaal goud én meer heeft in de Nederlandse top 20 van medaillewinnaars gezelschap van slechts zes mannen: Sven Kramer, Charles Pahud de Mortanges, Pieter van den Hoogenband, Ard Schenk, Kjeld Nuis en  Adolf van der Voort van Zijp.

Zo succesvol en talrijk als de vrouwen zijn vertegenwoordigd in het medailleklassement, zo droevig is het gesteld met de vrouwelijke journalistieke afvaardiging komende zomer.  Eerder riep ondergetekende de media al op een extra inspanning te doen om meer vrouwen af te vaardigen. Natuurlijk is 50 procent in de huidige samenstelling van de beroepsgroep een utopie, maar desondanks is de optelsom niet echt hoopgevend. De meeste media hebben in elk geval één vrouw in hun Olympische ploeg opgenomen, maar op het geheel is dat aantal toch echt ondermaats.

Even de feiten op een rijtje: onder de 34 schrijvende journalisten verbonden aan grote mediatitels en met een volledige accreditatie (E) bevinden zich 6 vrouwen, 18 procent dus. Onder de 17 fotografen met een volledige accreditatie (EP) is er slechts één vrouw. Bij de 9 freelancers met een sportspecifieke accreditatie (Es) zitten vier vrouwen. En onder de 9 de freelance-fotografen is geen enkele vrouw. Alleen in de categorie technische accreditaties (ET) is de ‘meerderheid’ vrouw, de enige man is ondergetekende.

In dat opzicht is het door NOC*NSF samengestelde mediateam een veel betere afspiegeling van de krachtsverhoudingen in de Nederlandse sport. Het team bestaat voor de helft uit mannen en de helft uit vrouwen, conform de wens van het IOC.

De totale som voor de 72 journalisten en fotografen telt op tot 13 vrouwen tegenover 59 mannen. In percentages:  18 tegenover 82 procent. Het is een verhouding die in de kamers van de hoofdredacties en sportchefs tot nadenken zou moeten stemmen. Het zou toch niet erg woke of inclusief zijn wanneer het nog een eeuw moet duren voordat er een balans in de Olympische sportverslaggeving is bereikt.

GERARD DEN ELT, algemeen secretaris NSP